Wanneer je percentages wel en niet zomaar mag gemiddelden
Het optellen en delen van percentages lijkt op het eerste gezicht een eenvoudige wiskundige handeling. Toch gaat het berekenen van het gemiddelde van twee of meer percentages vaak mis. De beslissende factor is de groepsgrootte of de basiswaarde achter elk percentage.
Wanneer alle percentages betrekking hebben op exact dezelfde groepsgrootte, is een enkelvoudig ongewogen gemiddelde wiskundig juist. Stel dat drie verschillende projectgroepen van elk 100 studenten een score behalen van 70%, 80% en 90%. Omdat de basisgrootte voor elke groep gelijk is, bereken je het gemiddelde door de waarden op te tellen en te delen door het aantal groepen:
In dit specifieke geval is de uitkomst exact 80%. Met behulp van een algemene procentenrekenmachine kun je individuele percentages bepalen, maar voor de samenvoeging volstaat hier de standaardformule.
Het probleem ontstaat zodra de groepsgroottes verschillen. Een percentage van 80% op een toets van 20 vragen vertegenwoordigt niet evenveel gewicht als een score van 90% op een toets van 30 vragen. Wie in die situatie een ongewogen gemiddelde neemt van 80% en 90%, komt uit op 85%. Dat antwoord is echter onjuist, omdat de grotere toets zwaarder hoort mee te wegen in het totaalresultaat.